...

Wat hij buiten het atelier meemaakt, hoort en ziet, zet hij in het atelier om in beelden. Schilderend aan tafel, zodat de dik opgebrachte verf niet uitloopt, om de werken die af en droog zijn vervolgens een plek te geven aan de volle studiowanden. Daar keren in zijn kenmerkende cartoony beeldtaal geschilderde karakters terug, samengebracht in steeds andere combinaties. ‘Het is eigenlijk één groot stripboek,’ aldus Jeroen. In zijn universum straalt een speelgoeddinosaurus kinderlijke onschuld en plezier uit, en spiegelt een palmboom ons het paradijs voor. Als onheilspellende memento mori duikt daartussen een schedel op, die ons breed grijnzend wijst op de vergankelijkheid van het leven. Feestmuts op, peuk in de mondhoek: er mag gelachen worden, maar de afloop staat vast. Alhoewel… Hoe direct de trefzeker op het doek gepenseelde personages op het eerste gezicht ook lijken, zwart-wit zijn hun betekenissen niet. Heeft de dino een zuiver geweten of raakt hij, met vragende puppy-ogen opkijkend naar de gevaarlijke T-rex, onverhoopt op het slechte pad? Blijkt het paradijs een inwisselbare plek of zelfs een gevangenis, als de palmboom zich herhaalt in het patroon van een behang of zich laat vangen als een wesp onder een glas? En al doet de schedel zich voor als onoverwinnelijk, soms wordt hij toch overwoekerd door de natuur of oneerbiedig als kandelaar gebruikt, met het kaarsvet druipend over zijn hulpeloze voorhoofd. De rollen kunnen ieder moment worden omgedraaid.

Ondanks kleine, persoonlijke aanleidingen, zoals Jeroens fascinatie voor schedels of zijn uit rommelmarktvondsten opgebouwde dinocollectie, vinden de motieven aansluiting bij iconografische thema’s uit de schilderkunst of verwijzen ze losjes naar beelden uit de hedendaagse popcultuur, die in het recente collectieve geheugen staan gegrift. Bewegend tussen de met symboliek doorspekte stillevens uit de zeventiende eeuw en het tot leven gekomen speelgoed uit de animatiefilm Toy Story worden eeuwenoude onderwerpen gepareerd met humor en met een niets verhullende penseelstreek in een hedendaags jasje gestoken. Door de recente overstap van acryl naar olieverf laat de materie zich pasteuzer en gelaagder aanbrengen. Een belangrijke ontwikkeling: ‘Ik kan nu nog meer van het materiaal vragen en ga de verf steeds beter te begrijpen.’ Ofschoon het nat-in-nat schilderen nieuwe mogelijkheden biedt, blijft spontaniteit voor Jeroen een basisingrediënt in het maakproces. ‘Niet teveel details aanbrengen, maar vanuit een paar strepen verder schilderen tot het doek zijn eigen verhaal gaat vertellen. Het plezier van de verf toont zich in de eenvoud.’

 

Merel van den Nieuwenhof