Hoe zou je je praktijk willen omschrijven?
Eigenlijk is mijn praktijk een doorlopend onderzoek naar bouwkundige veranderingen en vergeten ruimtes. Mijn medium is installatie; ik heb niet het soort concentratie om rustig in mijn atelier te tekenen, maar worstel liever met structuren door te zoeken naar een compositie en dat te verbinden met objecten. Ik kom vaak uit op sculpturen, maar ik werk ook locatie specifiek waarbij ik bestaande architectuur zie als dragers van handelingen. Tijd is ook een belangrijk gegeven; er zitten vele lagen verstopt in een plek en dat probeer ik terug te spiegelen naar de beschouwer. Mijn afstudeerproject was de oorsprong hiervan, dat was vijf jaar geleden en een moeilijke tijd vanwege corona. De academie moedigde ons aan om alternatieven te zoeken in de vorm van residencies om zo toch werk te maken en aan het publiek te tonen. Ik koos voor mijn ouderlijk huis in Dordrecht, wat een belangrijk moment bleek te zijn. Dat huis is uit de veertiende eeuw en een sculptuur op zich. Het dak bestaat deels uit een oude boot, vloeren zijn uitgehold en op sommige plekken zijn de deuren muren geworden omdat de indeling van het huis zo vaak is veranderd. Pas toen ik als maker het huis binnenstapte kon ik los komen van het sentiment dat aan je kleeft als je daar bent opgegroeid. Met bouwtekeningen, de fysieke geschiedenis en de verwondering die het gebouw gaf werd het een kunstwerk, een tentoonstelling en een interventie ineen en daarmee kwamen ook mijn fascinaties samen met mijn wensen in de kunst.
