Hoe zou je je praktijk willen omschrijven en welk thema komt terug in je werk?
Mijn praktijk verhoudt zich tot verschillende dingen. Ik maak daarbij gebruik van gevonden voorwerpen, objecten uit de bouwmarkt of het dagelijks leven. Ik produceer ze ook zelf, bijvoorbeeld met siliconenrubber, maar ik werk ook met geluiden en tekst voor een bepaalde verhaallijn.
Het is een materiele praktijk, waarmee ik kan reflecteren op koude objecten die refereren naar industriële productie. Meestal bevinden die op een verre afstand van de mens, en als ze dan dicht bij het lichaam komen ontstaat er spanning. Het materialisme refereert naar de infrastructuur van het consumentisme dat uiteindelijk wordt gestimuleerd door verschillende lagen in het imperialisme: een constante economie die maar moet blijven groeien. Er zit een crash in het systeem van het constante vernieuwen en het oneindig produceren, dat kan eigenlijk niet, en dat koppel ik aan een lichamelijk thema zoals burn-out. Toen ik dat onderzocht werd ik ervan bewust hoe groot die impact is, dat kun je nauwelijks bevatten waardoor er desoriëntatie ontstaat. Die desoriëntatie is mijn drijfveer om mijn werk ongrijpbaar te maken. Het glimt, het is actief, soms onder spanning en tegelijkertijd is het passief of vermoeid. Bijvoorbeeld iets wat in een constructie hangt zoals een vel siliconen dat een vervreemde en soms zelfs onaangenaam gevoel afgeeft, terwijl dat niet altijd ergens naar is te herleiden.
